Alzheimer

Gepubliceerd op 21 mei 2026 om 07:30

Sinds ik mijn telefoon in de tas houdt als ik met de trein ga, heb ik regelmatig praatjes met medereizigers. De dame tegenover me heeft  felle, blauwe ogen en ik zou het geloven als ze dubbel zo oud is als ik. “Ik moet naar Gouda,” zegt ze,  “en jij? “ Ik vertel dat ik ook die kant op moet, maar naar Rotterdam.  Ze gaat naar haar zus, vertelt ze. Tien jaar jonger. “Maar ook stokbejaard. 85.” 

We hebben het over familie en leeftijden.  “Ik heb Altzheimer,” vertelt ze even later. “En daardoor kan ik niet meer met de bus. Lopend gaat het nog goed. Ik ken de route naar het huis van mijn zus.” Ik zeg dat ik het stoer vind dat ze op pad blijft gaan. “Natuurlijk,” knikt ze, “het is niet zo dat als je Altzheimer hebt, je vanaf dan achter de geraniums moet. Ik doe gewoon nog wat ik kan.”  

Ze vertelt dat ze een keer was blijven zitten per ongeluk, en toen doorging naar Rotterdam. Daar was ze in de war geraakt. “Maar toen ik zei dat ik  Alzheimer had, werd ik met alle égards naar Gouda gebracht. Mensen zijn altijd zo aardig.”  Ze lacht erom. “Het was eerlijk gezegd best een mooi avontuur.” 

We hebben een leuk gesprek. Ik vraag hoe het voor haar is, deze ziekte. Ze kijkt me aan. Ik zie een lichte paniek in haar blik, die ik herken van mezelf als zich vroeger een wiskundesom op het bord vertakte.  “Die vraag snap ik niet,” zegt ze.  

In Gouda stapt ze uit. Haar zus staat al op het perron. Ze kijkt nog een keer naar het raampje. En zwaait. “Tot ziens, ik vond het gezellig!" hoor ik haar roepen.  

Maak jouw eigen website met JouwWeb