Potloodventerskabouter

Gepubliceerd op 4 juni 2026 om 08:37

De trein waar ik gisteravond rond twaalf uur op routine instapte, blijkt een jaren ‘50 trein. Mijn vriend Schipper rijdt mee. We zitten in een coupé, met houten deuren en houten lambrizering. In de hoek van de trein zit een kabouter met een lang overjasje te grinniken. Het is een potloodventerskabouter. Af en toe trekt hij zijn jas open.

 “We schoppen die kabouter de coupé uit,” zegt Schipper, 

“Ik ben hem zat.” 

“Laat hem toch zitten,” zeg ik 

“We hebben verder geen last van hem.”

Bij het volgende station stapt een man in. Het blijkt mijn vader, maar hij is tussen de twintig en dertig. Dat verwart me. 

“Moet ik nou Ries zeggen of ‘papa’?“ vraag ik. 

“Want je bent jonger dan ik, maar je bent wel mijn vader.” 

“Wat bomt het, “ zegt Ries, terwijl hij een fles jenever uit zijn tas haalt, 

“We leven in de jaren ‘50.” 

Uren later stoppen we op station Tilburg. De kabouter springt uit de trein, zijn lange overjasje waait op terwijl hij over het perron dribbelt. 

“Het is gewoon een Brabantse kabouter!” roep ik, want ik zie in dat ik hem verkeerd heb beoordeeld. Dat kan polarisatie in de hand werken tussen de kabouters en de mensen.  

“Wat kan mij dat schelen,” bromt Schipper,

“Ik stond op het punt hem uit het raam te gooien, zo irritant vond ik hem.” 

Het werd de raarste nachtelijke treinreis die ik ooit gemaakt heb in mijn leven. Er gebeurden zoveel dingen, dat ik het niet meer precies na kan vertellen. Alleen dit fragment weet ik nog. 



Maak jouw eigen website met JouwWeb