Er is geen reden om ‘s ochtends niet te zwemmen in het riviertje bij mijn huis. Het zet de dag in een ander licht. In de ochtend zijn er niet veel soortgenoten. De mensen die er zijn, zijn veelal de mensen die niemand kent, maar die het leven in de stad dragelijk maken. De schoonmakers, de vegers, vuilniswagentjes, puinruimers. Ik begin ze inmiddels te kennen. We begroeten elkander. Gek dat er neergekeken wordt op het beroep van vuilnismens. Zonder deze mensen was het een hel in de stad, zeker met dit weer waarin vuilnis een rottende lucht gaat afstoten als je het niet weghaalt.
Als ik het water inspring, is er een kraaienkoppel dat een eindje meevliegt. Vanuit een boom bij de brug zitten ze te kijken hoe ik voorbij zwem, dan keren ze terug, schor krassend. Er zijn nog veel meer vogels om me heen. Als ik op mijn rug zwem, zie je de zwaluwen en merels. Ook in de bomen, die je van onderen ziet, zit het vol met vogels. De bladeren ruisen.
Wat er onder me zwemt, wil ik geloof ik niet weten. Ik ben niet vergeten dat buurman Ben, een sportvisser, vertelde dat hij meervallen van twee meter en snoeken uit het water had gehaald. “Snoeken zijn dol op kinderteentjes,” zei één van mijn broers ooit, en ook dat ben ik niet vergeten, hoewel het onzin is en ik inmiddels de vijftig ben gepasseerd en derhalve niet meer in de kinderleeftijd val.
We leven hier samen. Dat moeten we onthouden als we met ons broodtrommeltje naar het werk gaan. Nee, er is geen enkele reden om ‘s ochtends niet in de rivier te zwemmen als je ernaast woont. Het doet je beseffen dat je een deel van het Grote Geheel.
Maak jouw eigen website met JouwWeb